vrijdag 13 juli 2012

Coniunctis viribus

Nederland heeft voor het eerst sinds we hier een parlementaire democratie hebben (1848, de liberaal Thorbecke) een minderheidskabinet. Het was altijd goed (?) gebruik dat een kabinet kon steunen op een meerderheid in de Tweede Kamer. Zolang de helft + 1 maar braaf meestemde, was er niets aan de hand. De feitelijke inbreng van de oppositie was vaak gering. En ondanks de zegeningen van de twee paarse kabinetten, er was te weinig ruimte voor politiek en maatschappelijk debat. Alles was dichtgetimmerd, zoals dat heet. Niet voor niets ontstond er de Fortuyn-revolte, die in de jaren daarvoor zich lokaal al had aangediend. Het kabinet Rutte I bestond uit CDA en VVD, met actieve gedoogsteun van de PVV. Nadat de PVV was weggelopen bij de onderhandelingen over de bezuinigingen, weggelopen was voor haar verantwoordelijkheid, was er ineens een kabinet met een duidelijke minderheid in het parlement. Direct werd er door alle politieke partijen geconstateerd dat er zo snel mogelijk nieuwe verkiezingen moesten komen (12 september, vergeet u niet te stemmen?) Maar ik vraag me af waarom er nieuwe verkiezingen moeten komen. Het kabinet Rutte I, bestaand uit CDA en VVD, had gewoon door kunnen regeren. Er was immers geen motie van wantrouwen ingediend en aangenomen, er was geen conflict met het parlement. Er was geen dichtgetimmerd regeerakkoord, waarbij de oppositie monddood was gemaakt. Sterker nog, alle 10 politieke partijen in de Tweede Kamer, hebben nog nooit zo’n kans gehad om invloed op het regeringsbeleid te hebben. Het zou betekent hebben, dat meer politieke partijen bepaalden wat het beleid zou zijn. Het zou betekent hebben dat meer kiezers zich in het beleid konden vinden. Het zou een politieke vernieuwing van onze democratie zijn geweest. Op gemeentelijk niveau zijn, naar mijn beste weten, geen tussentijdse verkiezingen mogelijk. Eenmaal per 4 jaar kiezen wij onze raadsleden en op basis van de verkiezingsuitslag wordt er een college van wethouders gevormd. Dat gebeurde in 2010 ook: er kwam een college van CDA en GBT in Twenterand. Maar wat was dat een verstandshuwelijk: beide partijen hielden elkaar vast in het vooruitschuiven van beslissingen en de inwoners van Twenterand werden er niet beter van. Dat die samenwerking tussen CDA en GBT aan een vroegtijdig einde is gekomen, verbaast niemand. GBT als grootste partij wilde per definitie het onderste uit de kan en ging volstrekt voorbij aan andere opvattingen binnen de raad, die toch door alle inwoners van Twenterand gekozen was. GBT had (en heeft, ben ik bang) last van de arrogantie van de macht. Politiek betekent samenwerking, betekent samen tot oplossingen en besluiten komen in plaats van halsstarrig aan je verkiezingsbeloften vasthouden. GBT heeft die wijsheid, helaas voor haar kiezers, niet. Er is nu een nieuw college in Twenterand. Bestaand uit 4 wethouders (niet full-time) die niet gebonden zijn aan hun eigen partij, maar die rekening moeten houden met elke fractie in de raad. Van de zeven fractie’s hebben er 6 hun verantwoordelijkheid genomen en gekozen voor samenwerking, voor de toekomst van Twenterand. Wat mij opvalt in het nieuwe colatie-akkoord, zijn drie dingen: 1)voor de noodzakelijke beslissingen zijn er duidelijke termijnen afgesproken: iedereen weet waar hij aan toe is 2)niet alles is dichtgetimmerd; elke politieke partij in de gemeenteraad kan duidelijk invloed uitoefenen. 3)de daadkracht en het optimisme: niet miepen over wat niet kan, maar uitgaan van wat wel kan. Dat is lef, dat is politieke vernieuwing, dat is democratie en hier wordt Twenterand beter van! De VVD Twenterand heeft bewust gekozen voor deze samenwerking. Want zo kunnen wij in Twenterand de boel op orde krijgen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten